Alle leerlingen profiteren van inclusief onderwijs

Door Priscilla Speijer
13 februari 2018

Passend onderwijs

Sinds 2014 zijn scholen door de wet verplicht passend onderwijs te bieden aan leerlingen met speciale onderwijsbehoeften binnen het reguliere onderwijs. Dit vereist van leraren competenties in het omgaan met verschillen. ‘Maar de praktijk in het primair en vooral het voortgezet onderwijs – dat sterk op vakinhoudelijk en programmatisch is georiënteerd – blijkt weerbarstig’, concludeert Van der Bij.

Hij noemt het huidige passend onderwijs een ‘aardig systeem’. ‘Ik geloof zeker dat als er goede specialistische begeleiding is op de scholen, we de kinderen niet meer over de schutting hoeven te gooien van het speciaal onderwijs.’

‘Ik geloof echter dat er altijd kinderen zullen blijven die beter af zijn met speciaal onderwijs. Dus het speciaal onderwijs zal ook met inclusion nooit helemaal verdwijnen. Denk aan zo’n 2,5 procent van de kinderen dat daar behoeft aan blijft hebben. Maar meer ook niet. En dat is nu wel het geval.’

Kennen

Van der Bij constateert dat binnen het onderwijs al meer wordt gedaan op het gebied van inclusion. ‘Denk bijvoorbeeld aan het dichten van de overgangskloof tussen het VMBO en MBO. Daar wordt veel meer aandacht aan gegeven. Normaliter gaat veel informatie over de (begeleiding van) leerlingen verloren bij de overgang van PO/SO naar VO en van VO naar MBO.’

Een ander groot verschil met het regulier VO is, dat (V)SO-leerkrachten hun leerlingen kennen. ‘Op een regulier VO verandert de samenstelling van de klas met het uur. De docent leert zo nauwelijks een leerling kennen en weet dus ook niets over de extra behoeften. Dit belemmert het implementeren van inclusion in het VO. Daarnaast zijn VO-docenten veel programmatischer dan in het PO en SO.’

Alle leerlingen profiteren

Volgens de onderzoekresultaten van Van der Bij kan worden geconcludeerd dat een school die zich serieus bezig houdt met inclusief onderwijs, minder kampt met voortijdige schoolverlaters, zittenblijvers en afstroom naar een lager onderwijsniveau. Er werden echter geen opvallende effecten bespeurd wat betreft de uitstroom naar een hoger onderwijsniveau.

Over het geheel genomen kan echter worden gesteld dat scholen met een duidelijke inclusieve onderwijscultuur de schoolloopbanen van leerlingen positief beïnvloeden. In scholen met relatief meer leerlingen met speciale onderwijsbehoeften waren deze effecten nog sterker. ‘Je kunt stellen dat alle leerlingen profiteren van inclusion’, aldus Van der Bij. 

Pabo

In verschillende studies (Inspectie van onderwijs, 2014, 2015, 2016; OCW, 2004) wordt een steeds terugkerende behoefte geconstateerd aan betere begeleiding van leerlingen met speciale onderwijsbehoefte door leerkrachten en aan meer maatwerkprogramma’s voor leerlingen. Het zou mooi zijn als de lerarenopleiding, de PABO en het VO, hieraan prioriteit zou gaan geven.

Van der Bij: ‘Op de huidige lerarenopleiding wordt veel te weinig aandacht besteed aan passend onderwijs, laat staan aan inclusion. Ook zouden het PO en VO binnen hun scholen veel meer gebruik moeten maken van de specialistische hulp vanuit het SO. Ik ben daar een groot voorstander van.’

Weinig vertrouwen

Waarom het eigenlijk zo lang duurt voordat inclusion binnen scholen wordt omarmd, heeft een aantal redenen. ,,Voorbeelden van ‘good practice’ ontbreken. Leraren geven aan dat ze weinig vertrouwen hebben in hun capaciteiten voor het bieden van inclusief onderwijs.’

‘Ook worden effectieve praktijen nauwelijks gedeeld, zodat leraren zich de achterliggende ideeën van inclusief onderwijs en eventuele goede voorbeelden niet eigen kunnen maken. Dat is wel noodzakelijk. Het huidige passend onderwijs is slechts een kleine stap. Het mag allemaal wel wat sneller’, vindt Van der Bij.

Daarnaast speelt de traditie van het land een interessante rol. ‘Wij hebben een Calvinistische inslag: werk hard, doe goed, dan komt het vanzelf goed. En iets wat je in 100 jaar hebt opgebouwd, breek je niet in vijf jaar af. Uit  onderzoek blijkt dat Nederlanders een sterke hang hebben naar zekerheid, ook dat zit in de genen. Dit zijn allemaal ingrediënten die verandering vertragen en in de weg zitten. En vaak zie je dat verandering weerstand oproept.’

Jaarklassen loslaten

Een van de grootste uitdagingen van inclusion in het onderwijs is hoe het uiteindelijk te organiseren. ‘Hierin is het mijns inziens onder andere belangrijk dat we de jaarklassen loslaten. Het is toch belachelijk dat ik op 9 januari weet welke les ik ga geven op 21 juni? Deze rare gedachte stamt nog uit de tijd van de industriële revolutie van de negentiende eeuw! Dit heeft niets te maken met inclusion, met onderwijs op maat.’

‘Wat ook zou kunnen is het leslokaal  loslaten’, mijmert Van der Bij verder. ‘Ik heb geëxperimenteerd met leerpleinen. 65 leerlingen en vier docenten, daar kun je leuke dingen mee doen. Leerlingen die extra hulp nodig hebben, weten zo de leraar te vinden en kunnen verder.’

Mogelijk

Hij vervolgt: ‘Stel, je hebt een kind dat heel goed is in wiskunde. Dan heeft het geen vier uur wiskunde in de week nodig. Maar dit kind kan juist extra uren gebruiken voor talen. Dan is het mooi als die gelegenheid er is. Leraren snappen dit echt wel, alleen moet er een vertaalslag worden gemaakt. En daar blijft het hangen. Kijk nou gewoon eens wat mogelijk is binnen je school.’

‘Als schoolleider heb ik ook geëxperimenteerd met doorgaande leerlijnen. We hadden geen schoolkeuze tot en met 16 jaar. Dus eigenlijk verleng je de basisschool, word je een soort puberschool, waarop je alle kanten uit kan. Van vmbo tot VWO. Dit paste echter niet in het systeem en werd door de politiek geblokkeerd.’

Ach ja, de politiek. Van der Bij verwacht daar weinig meer van als het op het volledig integreren van inclusion aankomt. ‘Dit is een revolutie die van onderop, vanuit het veld, moet komen.’

Praat mee

Wij vinden het leuk als je een reactie op onze berichten geeft.

Jurgen
21 februari 2018 om 14:55

Goed werk!